Franciscus’ roeping: geen ridder, maar broeder van alles en allen
Tweede artikel van een drieluik
Het woord ‘roeping’ is voor velen mysterieus. Je hoort geen auditieve stem. Ik gebruik het einde van het Johannesevangelie (21,19-22) als ik over roeping vertel. Jezus vraagt Petrus Hem te volgen. De geliefde leerling volgt ook. Die wéét intuïtief dat hij moet volgen. Dat noem ik roeping: een diep gevoel dat het goed zit. Dat gebeurt niet op slag: het is een proces van zoeken en rijpen, ook bij Franciscus van Assisi.
Fransmannetje
Die wordt in 1181/82 als zoon van Pica en de rijke lakenkoopman Pietro geboren in Assisi als papa op handelsreis naar Frankrijk is. Pica noemt hem Giovanni di Pietro di Bernadone (Hans van Peter van grote Bernard). Bij thuiskomst vindt Pietro ‘Giovanni’ een ordinaire naam. Hij moet ‘Francesco’ (‘Fransmannetje’) heten! Al zijn rijkdom en geluk heeft Pietro immers aan Frankrijk te danken. Vanaf dan noemt iedereen, zelfs God, hem Franciscus.
Franciscus wil ridder worden, maar Pietro wil hem als opvolger. Het uitbreken van de burgeroorlog met buurstad Perugia is het moment voor Franciscus om zich te bewijzen in de strijd. Assisi wordt verslagen en Franciscus zit een jaar in de gevangenis.
De Heer of de Knecht?
Eenmaal vrij, weet hij het niet meer: moet hij toch maar de winkel overnemen? (Maar is dat alles?) Of toch ridder worden? (Maar die verschrikkelijke oorlog?) Of iets anders...? Dan roept de paus op tot een kruistocht. Franciscus ziet daarin een teken toch ridder te worden. Maar het blijkt een gedachte van Franciscus, niet van God. Want één dagreis ver krijgt hij een droom. Een stem (God?) vraagt:
“Franciscus, wie wil je dienen: de Heer of de knecht?”
“De Heer, natuurlijk!”
“Waarom volg je dan nu de knecht? Ga terug naar waar je vandaan komt, daar zal je duidelijk worden wat je moet doen.”
Franciscus keert terug. Er volgt een reeks gebeurtenissen die hem zijn roeping leert verstaan. Hij ontmoet een melaatse. Elke middeleeuwer gaat in een wijde boog om hen heen, maar... Franciscus omhelst hem en beseft dat waar hij omhoog wilde (ridderdom was adeldom), zijn weg omlaag gaat: hij wordt broeder van de ‘minderen’ (armen, zieken).
Daarna bidt hij om duidelijkheid voor het Kruis van San Damiano. Dat antwoordt: “Franciscus, zie je niet dat mijn Huis in verval is? Ga heen en herstel mijn Huis!” Franciscus begint daarop kerkjes te herstellen met gestolen geld van zijn vader. Dit leidt tot een definitieve breuk tussen hen: het begin van Franciscus’ religieuze leven. Pas later blijkt dat hij het Huis van Christus, de Kerk van paus en kardinalen én het gewone volk, moet herstellen.
Mindere Broeders en Arme Vrouwen
Tot Franciscus’ verbazing willen anderen ook ‘mindere broeder’ worden. Door het Nieuwe Testament drie keer open te slaan, vindt Franciscus als basis voor hun leven (en later zijn Regel) drie Bijbelcitaten:
- “Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen.” (Mt 19,21)
- “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.” (Mt 16,24)
- "Neemt niets mee voor onderweg: geen stok, geen reiszak, geen voedsel en geen geld." (Lc 9,3)
Franciscus noemt dit ‘leven naar het Evangelie’. Ook vrouwen, Clara van Assisi voorop, kiezen voor dit leven naar het Evangelie, als Arme Vrouwen.
Franciscus’ roeping ontwikkelt zich verder door ontmoetingen die het beeld van wie hij broeder is, vergroten: na de melaatse, boeren, stedelingen, kardinalen en de paus. Iedereen benadert hij met hetzelfde respect, als hun kleine broeder. Dat ontwapent.
Hij twijfelt lang of ‘preken onder de mensen’ of ‘zich terugtrekken als kluizenaar’ zijn roeping is. Het wordt hem duidelijk dat hij in zijn twijfel Gods stem in de weg zit: vult hij niet zelf in wat God van hem wil? Hij vraagt broeder Silvester en zuster Clara - die beide teruggetrokken leven - het God te vragen. Het antwoord is eenduidig: “Franciscus, jij hebt je roeping niet voor jezelf gehad...” Onder de mensen is zijn roeping, al verlangt hij zelf het andere...
Broeder van allen en van alles
Franciscus besluit mee te gaan op kruistocht. Hij wil over vrede spreken met de Egyptische sultan Al-Kamil. Waar de kruisvaarders moordend en plunderend rondtrekken, blijkt de sultan een edel en vredelievend mens. Franciscus beseft dat goedheid niet is voorbehouden aan christenen, dat álle mensen Gods kinderen zijn en Franciscus dus broeder van állen.
Terug in Italië wordt hij ziek. Hij heeft pijn, is bijna blind en ligt ’s nachts in een koud en vochtig hutje, terwijl de muizen over hem heen lopen. Dan verdiept zijn roeping zich weer: hij beseft dat, omdat alles in Gods schepping met alles verbonden is, alle onderdelen van de schepping zijn broeders en zusters zijn. Als Franciscus, een jaar later, 3 oktober 1226, op zijn sterfbed ligt, kan hij zo zelfs de dood accepteren. Het leven naar het Evangelie blijkt voor Franciscus een leven als broeder van de hele schepping, inclusief zuster dood.
Hans-Peter Bartels ofm
___________________
Dit is het tweede artikel van een drieluik, aangeboden door de Minderbroeders Franciscanen.




