Anton ten Klooster: Betekenis en geschiedenis van de aflaat
Heilig Jaar 2025
In het Heilig Jaar 2025 kunnen gelovigen een aflaat verkrijgen. Paus Franciscus schrijft hierover in zijn bul “Spes non confundit” (De hoop stelt niet teleur). Wat is de geschiedenis van de aflaat en de betekenis ervan in het Heilig Jaar? Hierover vertelt dr. Anton ten Klooster in een podcast van katholiekleven.nl. Anton ten Klooster is priester van het aartsbisdom Utrecht en universitair docent aan de Tilburg School of Catholic Theology (TST).
De aflaatpraktijk ontwikkelde zich enkel in de westerse Kerk, maar heeft wortels in de vroege Kerk. We vinden in de brieven van het Nieuwe Testament oproepen om bij God voor anderen te bidden. Hierachter steekt de overtuiging dat de persoonlijke bekering gedragen wordt door het gebed van de Kerk. Dit gemeenschappelijke gebed gaat bovendien over de grenzen van de dood heen.
“Gebedshulp”
De praktijk van de aflaten ontwikkelde zich vanuit de boetepraktijk binnen de vroege Kerk. Als iemand bijvoorbeeld onder druk van de omstandigheden zijn geloof had afgezworen en weer wilde terugkeren, volgde een proces van boetedoening. Daarna volgde verzoening. Dit proces werd begeleid door het gebed van de hele gemeenschap, zodat de boeteling in die zin de weg niet alleen ging.
Tussen de zevende en elfde eeuw kwam de persoonlijke biecht in gebruik. De biechtvader vergaf de schuld, maar om te herstellen wat door de zonde beschadigd was, legde de priester een penitentie op. Dit varieerde van het onderhouden van een aantal vastendagen tot het maken van een bedevaart.
Net als in de vroege Kerk was het mogelijk het gebed van anderen in te roepen bij het voldoen van de penitentie. Er kwamen brieven in omloop waarin het gebed van anderen werd toegezegd. Op deze manier werd de boetedoening verlicht. De Kerk nam als het ware een deel van de schuld van de boeteling over.
Reflectie en kritiek
Later ontwikkelde zich een theologische reflectie op deze praktijk. De Kerk reageerde ook op uitwassen van de aflaatpraktijk. Het meest berucht was de aflatenpraktijk van Johann Tetzel in het begin van de zestiende eeuw. De gegeven aalmoezen werden gebruikt voor de bouw van de Sint Pieter. Overigens was de kritiek op Tetzel destijds ook binnen de Kerk al te horen.
Wederkerigheid
Geleidelijk aan vervaagde de band tussen de aflaat en het boetesacrament. Aflaten werden ook verbonden aan kleinere devoties en werken. Tegelijkertijd werd het mogelijk aflaten te verwerven voor overledenen. In dit laatste ontstaat een nieuwe wederkerigheid. De vroege Kerk rekende op het gebed van de martelaren, die gestorven zijn maar leven voor God. Nu bidden de levenden ook voor de overledenen. Anton ten Klooster spreekt in dat verband over aflaten als een uiting van de solidariteit binnen de Kerk, die de heiliging van de gelovigen met haar gebed draagt.
Het Heilig Jaar
De aflaat is nauw verbonden met het Heilig Jaar. Paus Bonifatius VII verbond bij het eerste Heilig Jaar in 1300 de praktijk van het Jubeljaar met het verlenen van aflaten. In de bul “Spes non confundit” schrijft paus Franciscus dat de bedoeling van de aflaat in het Heilig Jaar is om te ontdekken hoe onbeperkt de barmhartigheid van God is.
Podcast Katholiek Leven
Dit bericht is onderdeel van een serie van acht artikelen die Hans de Jong schreef voor Katholiekleven.nl op basis van een serie podcasts door Nederlandse bisschoppen. De onderwerpen komen uit de bul van paus Franciscus voor het Jubeljaar: Spes non confundit.
Beluister hier de podcast:




